Tegelen afzettingen

Algemeen

De Tegelen afzettingen zijn de in de Nederlandse literatuur meest uitgebreid beschreven en onderzochte afzettingen uit het Neogeen. Dit komt mede door het feit dat kleigroeven bij Belfeld en Tegelen de typestratigrafie herbergen van het Tiglien. Al in de 19e eeuw zijn in de groeven diverse onderzoekers op onderzoek geweest naar fauna en flora resten die in grote hoeveelheden in deze afzetting voorkomen.
De Tegelen afzettingen zijn opgebouwd uit een serie zanden, venen en kleien. De eerste literatuurverwijzing, waarin Tegelen afzettingen beschreven staan is van Dubois1. Hij gebruikte de naam ‘Argile de Tegelen’ als aanduiding voor de kleilagen die in verschillende groeves in de omgeving van Tegelen ontsloten zijn. Vervolgens maakten Reid & Reid2 op grond van fossiele plantenresten onderscheid tussen de Klei van Tegelen, Pleistoceen) en de Klei van Reuver (Plioceen). Het zand tussen de kleilagen wordt als Zone van Tegelen en Tegelen Serie aangeduid door Zonneveld3 4. De naam Formatie van Tegelen wordt voor het eerst gebruikt door Zagwijn5 en Zonneveld6.

Het zand en grind tussen de kleilagen van Reuver en Tegelen wordt door Zagwijn7 samen met de Klei van Tegelen voor het eerst duidelijk omschreven als de Formatie van Tegelen. Op basis van pollenanalytisch- en macrorestenonderzoek in het grensgebied ten zuiden van Venlo maakt Zagwijn8 vervolgens een tweedeling binnen de Formatie van Tegelen. Het onderste deel bestaat uit het Zand en Grind van Belfeld en de daarop gelegen Klei van Belfeld; het bovenste deel uit het Zand en Grind van Tegelen met de daarop gelegen Klei van Tegelen.
Kasse9 beschrijft in zijn proefschrift Tegelen afzettingen in West-Brabant, deze zijn sterk estuarien beïnvloed. In deze afzettingen wordt geregeld een magnetostratigrafische ompoling aangetroffen: een positief tijdvak (Olduvai) in een voor de rest negatief (Matuyama) traject. Dit biedt goede correlatie en dateringsmogelijkheden. Westerhof10 beschrijft de meer oostelijk gelegen, zuiver fluviatiele, Tegelen afzettingen.

 

Lithologie

Algemeen

De Tegelen afzettingen omvat (continentale) fluviatiele tot estuariene eenheden en gaat lateraal over in / staan lokaal bekend als :

  • De Formatie van Tegelen (deltaisch / kustnabij)
  • De Formatie van Tegelen (het zuiver continentale deel)
  • De Formatie van Scheemda
  • De Formatie van Harderwijk (pro parte)
  • De Formatie van Maassluis (pro parte)
  • De Kiezeloölietformatie (pro parte)
  • De Gilze member
  • De Formatie van Kedichem

 

In 2003 heeft TNO / RGD deze afzettingen hernoemd en de indeling licht gewijzigd. De volgende naamgevingen worden vandaag de dag aangehouden:

  • De Formatie van Waalre
  • De Formatie van Stramproy (pro parte)

 

Als grootst gemene deler is dat er, zelfs in de grovere delen, vaak sprake van een duidelijke fijnkorrelige (slib-)component. Hiernaast komen glimmers, houtresten, grind, sideriet en soms zoetwaterschelpen in het sediment voor. De kustnabije Formatie van Tegelen representeert volgens Kasse een door zoetwater beïnvloede, met een middelmatig getij (in ieder geval > 2 meter, maar volgens Kasse niet meer dan 2½ meter), serie afzettingen.

Sterke wisselingen in beschrijvingen in de dikte van de afzettingen van Tegelen worden veelal veroorzaakt door het toepassen van verschillende determinatiecriteria naast elkaar. Bijvoorbeeld: het voorkomen van (veel) glimmers, specifieke typen (macro-)pollen of een specifieke zware-mineralen associatie. Hierdoor ontstaat er een verwarrend beeld van de ligging van en de dikteverschillen in deze Formatie. Complicerend is dat veel faciesverschuivingen (toevallig) plaats vinden op de grens met België en Duitsland.

 

Zware mineralen

De zware mineralen in de Tegelen afzettingen worden gekenmerkt door een granaatrijke associatie van de Rijn met flinke hoeveelheden epidoot, alteriet/saussuriet en hoornblende. Kasse (1988) heeft de Tegelen afzettingen in de volgende klassen ingedeeld:

 

  • Merksplas member Stabiel, met 20-40% onstabiele mineralen
  • Rijkevorsel member Gemengde associatie. Met ruwweg net zoveel stabiele als onstabiele mineralen. Het percentage onstabiel neemt naar het noorden toe snel toe: 40% in Beerse-Dakt tot 90% in Chaam-Kapel. Deze verschuiving vindt tevens plaats naar het westen toe: 70-80% in Wortel tot 20-40% in de Hoogerheide member. Het verschil is te danken aan een alternatieve bron.
  • Beerse member Voornamelijk stabiel (>90%)
  • Turnhout member Onstabiel , gedomineerd door Granaat, Epidoot en Hoornblende (>60%). Zeer weinig Glaucofaan (kan voorkomen). Het percentage onstabiel neemt toe naar het noorden: van 60-70% bij Merksplas tot 80-90% bij Meerle. In het zuiden is er sprake van een gemengde ass. Met meer stabiele mineralen (tweede bron). Ook naar het westen neemt het gehalte stabiele mineralen toe: 15% in Castelre, tot 45% in Kalmthoutse Hoek. Nog verder westelijk is ze stabiel (Woensdrecht member). Ook verticaal is deze member onderin meer stabiel dan bovenin.
  • Hoogerheide member Een stabiele tot gemengde ass. Gedomineerd door Granaat, Epidoot, Toermalijn, Overig (zirkoon en rutiel). Dit duidt op twee verschillende bronnen. De hoeveelheid onstabiele mineralen neemt toe naar het westen, noorden en oosten.
  • Woensdrecht member Een stabiel tot gemengde ass. Met weinig Granaat ( tot 10%) en Alteriet (0-2%), Stauroliet en Metamorf niet boven de 10-15% en een weinig Glaucofaan. Naar het noorden en oosten wordt ze onstabieler.
  • Gilze member Stabiele associatie. Met meer dan 90% stabiele mineralen. Meer naar het noorden zijn er onverklaarde pieken in onstabiele mineralen. Bovenin (Spruitenstroomklei) verandert de samenstelling tot 50-70% onstabiel, een aanwijzing voor een tweede bron.

 

Grind

In de Tegelen afzettingen is in het Gilzerbaangebied op verschillende niveau’s grind gevonden. Op basis van deze (soms kleine) grindvoorkomens is toch een indeling in verschillende klassen gemaakt.

Bovenin komt in de T3 een aantal grindmonsters voor met relatief veel restkwarts (30-40%) en relatief weinig melkkwarts (10-20%). Tevens wordt een 10-30% vuursteen aangetroffen. Wel moet worden opgemerkt dat het aantal grindjes per monster laag is. Dit strookt evenwel met de zware mineraalassociaties zoals deze door Kasse zijn aangetroffen. Deze geeft voor de Beerse member een voornamelijk stabiele zware mineraal-associatie en voor de Turnhout-member een gemengde tot onstabiele associatie.

In de T2 komen grotere grindmonsters voor. Het grind kenmerkt zich door veel melkkwarts (meer dan 60% en een totaal aan kwarts boven de 80%. Dit is een “klassieke” RM-assemblage. Dit kan stroken met de Rijkevorsel-member van Kasse.

In de T1 komen lokaal ook meer (mariene?) schelpen voor. Opvallend is het voorkomen van vuursteen en een lager percentage melkkwarts (en meer restkwarts) dan in de bovenliggende T2. De mogelijk equivalente Merksplas member is ook wat stabieler. De hier onder liggende Bel/M4 heeft weer een meer RM associatie.

In de onderstaande figuur is een overzicht van de grindassociaties in de omgeving van waterwinplaats Gilzerbaan gesorteerd naar afzettingstijd. In deze figuur is met een blauwe w het voorkomen van windlak opgenomen, mogelijk indicatief voor meer glaciale perioden. De waarden aan de linkerzijde van de figuur geeft het aantal meter aan wat het grindmonster onder de Top van de T3-kleien ligt.

Proto-Schelde

De samenstelling van de stabiele grind assemblages wijst mogelijk op het feit dat meerdere kleine beken het Massief van Brabant draineerden in plaats van een “proto-Schelde”. In deze stabiele grinden met veel vuursteen k( de Gilzemember) an de volgende onderverdeling worden aangebracht:

• De Gmα wordt vooral gevonden nabij Borgerhout en Berendrecht, vlak bij de Gemeente Antwerpen. Deze afzettingen zijn gekenmerkt door veel vuursteen, waarvan fijne splinters de afzettingen opvallend grijs(paars) kleuren. Ze kan duiden op een ander brongebied dan die van de GMß

• De GMß wordt vooral gevonden nabij Het Blak, Merksplas en Beerse alle nabij Turnhout en bij Ulvenhout. Ze zou mogelijk het equivalent zijn van de Beerse-member. Bij Ulvenhout is ze aanwezig in de top van de Tegelen afzettingen aldaar.

• De GMß(sub RM) wordt vooral aangetroffen gevonden nabij Gilze en kan een duidelijke RM-bijmenging vertegenwoordigen. Misschien is dit de Gilze-member volgens Kasse.

 

Sequenties

 

De Tegelen afzettingen kunnen worden onderverdeeld in een viertal sequenties. Het onderscheid tussen deze berust vooral op het voorkomen van fine-up sequenties. SB’s komen regionaal herkenbaar voor. De oost-west profielen en zuid-noord profielen in West-Brabant geven detailinformatie over de Tegelen afzettingen.

 

T1

De eerste sequentie, de T1 is een relatief dunne afzetting gelegen op mariene afzettingen met een kwartaire fauna-inhoud. De dikte ligt tussen de 5 en de 10 meter. Ze komt voornamelijk voor in de Centrale Slenk. Ze is aan de onderzijde gekenmerkt door een vergroving in de korrelgrootte. In West-Brabant is ze het equivalent van de Merksplas-member van Kasse. Deze sequentie komt niet vaak voor. Lokaal gaat deze sequentie lateraal over in een mariene (estuariene) serie afzettingen die tot de M5 (Maassluis afzettingen) gerekend kunnen worden Op de gammalogs is de T1 vaak te herkennen door een forse toename van de gamma-straling. Deze toename is waarschijnlijk eerder toe te schrijven aan het voorkomen van gammastraling producerende mineralen, bijvoorbeeld het thorium houdende Monaziet welke zelf alleen maar afkomstig kan zijn uit de kristallijne bronnen in het Zwarte Woud of de Vogezen.
In het grind komt te Gilzerbaan opvallend veel restkwarts en vuursteen voor.

 

T2

De tweede sequentie, de T2 is een meer fijnkorrelige afzetting met lokaal dikke kleilagen. Deze kleilagen staan in West-Brabant bekend onder de naam Klei van Rijkevorsel. De dikte ligt rond de 25 meter, in de Centrale Slenk neemt de dikte af tot 10 meter. Onderin komt een niveau voor in het grind waar windlak wordt aangetroffen. De grindassemblage is typisch voor de Rijn/Maas-afzettingen.

 

T3

De derde sequentie, de T3 kenmerkt zich door een afwijkende grindassemblage. Met name onderin is het aandeel melkkwarts laag. Hiernaast is het sediment grof te noemen. De bovenzijde is gekenmerkt door een hoog-lutumrijke kleilaag die in grote delen van Nederland is terug te vinden. Deze kleilaag is lokaal gebruikt als bron voor dakpanfabricage. De kleilaag is gemiddeld 5-10 meter dik, lokaal veenhoudend en rijk aan “verontreinigingen” als pyriet, sideriet en organische resten. De T3 is een van de meest uitgebreid voorkomende Tegelen afzettingen, de oudere T1 en T2 zijn vaak beperkt tot de sterk dalende bekkens, de jongere T4 is vaak afwezig of weg-geërodeerd.

De onderzijde van de T3 is te correleren met de Beerse-member van Kasse. Lokaal worden periglaciale verschijnselen aangetroffen (vorstwiggen, cryoturbatie). Op onderstaande foto is in de paarse zanden (volgens het bijschrift “Vorstwiggen uit het koude Menapien. De verstoorde grijs-zwart gekleurde bodem is waarschijnlijk tijdens het warme Waalien gevormd © TNO-NITG” ) duidelijk een cryoturbate structuur te onderkennen. Deze is tevens aangetroffen te Ulvenhout11

 

T4

De vierde sequentie is gelegen boven de T3 topkleien. Na het afzetten van de T3 kleien lijkt het er op dat de RM nog maar weinig voorstelde. In Zuid-Nederland wordt in deze tijd de Gilze-member afgezet (zuidelijke beek- en rivierafzettingen), meer naar de Centrale slenk worden nog RM afzettingen aangetroffen. De T4 is op veel plekken door latere erosie sterk aangetast tot verdwenen. Het sediment bevat weinig grovere delen. Mogelijk bevat de top van de T4 in 39A-236 (Tiel) schelpen. Het is onbekend of deze marien zijn.

 

Regionale bijzonderheden

Plaatselijk is de klei gebruikt in de baksteen- en dakpanindustrie, o.a. bij Gilze. Bij Baanbroek (38D-106) bevinden zich 10 meter onder de top van de T3 de macropollen Azolla tegeliensis en Azolla filliculoides (de top ligt hier op 50 meter [m-NAP]). Nabij Scharwoude (boring 19E-85) bevindt zich een ca. 25 meter dik pakket kleien tussen 270 en 295 meter onder NAP meter met een TC5/6 pollenouderdom (KB 19) wat lithologisch tot de Harderwijk afzettingen wordt gerekend. In Overijssel en Drenthe (KB 17) bevindt zich vaak bovenop de T3 nog een dun laagje Harderwijk afzettingen, wat analoog lijkt aan het laagje Gilze-member op de T3 in Zuid-Nederland.

Nota (195612) geeft een indeling van lokale Tegelen afzettingen in Groeve Maalbeek in de Venloslenk. Hier komt de echte Tegelenklei voor onder een “papzand” afzettingen met vorstwigjes. Hierboven liggen weer grindige Rijnzanden. De onder de Tegelenklei voorkomende grove zanden zouden ook door de Rijn zijn afgezet in een koud klimaat. Qua dikte en uiterlijk heeft ze eigenlijk wel wat weg van de Beersien-Ulvenhout sequentie als het papzand overeen zou komen met het hangmattenzand. Het voorkomen van deze T3 op “afgelegen” plekken als de Groeve Maalbeek is te correleren met de al eerder gemelde uitgestrekte verbreiding van deze T3. Mogelijk dat deze T3 te beschouwen is als een “High System Tract”. Hier is het opbouwende karakter van de RM-delta vervangen door een lateraal karakter.

 

Flora en Fauna

Kenmerkend is o.a: het vaak in de venige trajecten voorkomen van een herkenbare macrorest in de vorm van o.a elzenhout. Ook aan andere fossielen (pollen, zaden, faunaresten (bijvoorbeeld Azolla tegeliensis)) kan deze formatie onderkend worden. Het is opvallend dat noch in te Beerse en Ulvenhout in de Turnhoutmember Azolla tegeliensis is aangetroffen. In deze afzettingen meer naar het westen heeft Kasse ze wel beschreven. Misschien is Azolla tegeliensis erg locatiegevoelig met bijvoorbeeld een voorkeur voor kustnabije locaties.

De Tegelen afzettingen zijn afkomstig uit het vroegste gedeelte van het Kwartair. In de pollenbeelden komen nog veel Tertiaire relicten voor (Palm, Sequoia, Castanea, Tsuga) die in latere tijdvakken niet meer (zo opvallend veel) voorkomen.

Azolla Tegeliensis (bron: Florschutz)

 

Andere Indelingen

Zuidoost-Nederland

In het zuidoosten van Nederland is de opbouw van de Formatie van Tegelen afwijkend van die in het westen. Dit is te wijten aan een zeer continentaal milieu van afzetting. De facies is onderdeel van de landwaartse deel van een delta. Een beknopte beschrijving:

  • Klei van Tegelen Dit is deels dezelfde klei als die in de top van de T3. Meer naar het zuidoosten bestaat ze uit klei met inschakelingen van fijn zand. Soms zijn deze kleipakketten gescheiden door grof zand. Ze zijn goed beschreven in de omgeving van Tegelen (Reid, 1915). De afzettingen hebben deels een normal polarity. hiermee zijn ze correleerbaar met de T3

  • Grind van Tegelen Een pakket, overwegend bestaande uit grof zand met vooral in het zuidoosten grind. Alleen de bovenste delen van deze member liggen boven mariene lagen meer naar het westen. Het equivalent zou de onderzijde van de T3 of de T2/T1 kunnen zijn.

  • Klei van Belfeld Een voornamelijk uit klei bestaand laagpakket met plaatselijk (grof) zandinschakelingen. Ze is mogelijk van (zeer) Laat-Pliocene ouderdom. Het equivalent is mogelijk de M4.

  • Grind van Belfeld Grove grindhoudende afzettingen. Ze zijn gelegen boven de Kiezeloöliet Formatie. Onderin kan een zeer grove laag voorkomen. Het equivalent kan de onderzijde van de M4 zijn.

 

West-Brabant

Kasse (Kasse, 1988) deelt de afzettingen in West-Brabant in een aantal te onderscheiden eenheden in:

  • Woensdrecht member Een zandige afzetting met een kleiige top met voor het geheel een member fine-up sequentie. Bij Ossendrecht wordt het zand in een groeve gewonnen. De equivalentie zou de top van de T3 of de T4 kunnen zijn.

  • Turnhout member Een fijnkorrelige (plaatselijk zeer kleiige) eenheid met voor het geheel een fine-up sequentie. De kleilaag aan de top is dikker en lutumrijker dan die bij de Woensdrecht member. Aan de top van de kleilaag komt een zeer humeus tot venig pakket voor. Het equivalent is de T3.

  • Beerse member De in een koud klimaat afgezette Beerse-member: een fijnzandige afzetting met glaciale verschijnselen (vorstwiggen, cryoturbaties, palsa´s) en ten minste 4 bodemhorizonten. De Beerse-member heeft tegen de Belgische grens een Scheldeassociatie. Ze is aangetroffen tot in de omgeving van Ulvenhout. Het equivalent is de onderzijde van de T3

  • Rijkevorsel-/Hoogerheide member Afzettingen, voornamelijk zanden, die zijn afgezet op de grens van de Maassluis en de Tegelen afzettingen in (nabij-)mariene omstandigheden. Het equivalent is de T2.

  • Gilze member Deze member kenmerkt zich door een stabiele zware-mineraal en stabiele grindinhoud, mogelijk afkomstig uit Belgie. Ze is afgezet in het Vroeg-Pleistoceen. Dit blijkt uit het voorkomen van Azolla tegeliensis. De hoogteligging komt overeen met nabije Tegelen afzettingen.Volgens Kasse is er in deze member sprake van een reversed-normal ompoling die hij verklaart door glaciogeen geinduceerde herorientatie. Uit de pollen spreekt een Tiglien of Waalien-A beeld (deze twee florabeelden worden volgens mij vaker verwisseld).

 

Volgens Kasse is er lokaal nog een verdere onderverdeling mogelijk:

  • Onderin een serie zanden (Appelenbergzanden) die naar boven toe fijner worden met daarboven kleilagen (Gilzeklei) en minimaal 3 veenachtige bodemhorizonten. De Gilzeklei kan zelf bestaan uit een fining-upward sequentie die wordt afgetopt met een klei (Spruitenstroomklei) afgezet in een fluviatiele geul die plaatselijk tot 4 meter diep (volgens Kasse tot 10 meter bij Gilze) in oudere Tegelen afzettingen is ingesneden.

 

De zuidelijke stabiele associaties nemen sterk af naar het westen, noorden en oosten. Naar boven toe worden de zware mineralen in de Turnhout member en de Gilze member beide onstabieler (o.a. in de Spruitenstroomklei cf. Kasse).

 

Overig 

Op Schouwen-Duiveland (KB 42) komt een RM-associatie voor waarin de hoeveelheid Maasinvloed kan variëren. In boring Strijen (43F-17, KB 43o) komt bovenin de Tegelen afzettingen een stabiele influx voor net onder een top-klei/veenlaag. Boring Kuivezand (43H-61) is stabiel tussen de -3/-10 [m-NAP]. Boring 44C-79 (de Banken) van -3/-21. Vessem (51C-23) is stabiel in het mariene traject. Hiernaast komt nabij Eindhoven (KB 51w) een extreem stabiele Kedichem voor (tot 10m boven de top van de Tegelen afzettingen), reikend tot aan de onderzijde van de I-St.

Op blad 37 is in boring 37B-25 (Maassluis) de top van de Tegelen/Kedichem afzettingen de zware mineraalinhoud stabiel. In boring 30H-147 (Moerkappelle, blad 38) ligt een stabiel deel net boven de top van de Tegelen afzettingen. In boring 38D-283 (blad 38) is het stabiele deel gedetailleerd op pollen onderzocht. Er is een treffende gelijkenis met het Beersien-profiel. Misschien wijst een en ander op het verdwijnen van de RM-invloed uit de Centrale Slenk en het dientengevolge dominant worden van de zuidelijke beken / rivieren. Boring 52C-22, Liessel (KB 52w) kent ook een stabiele Kedichem afzetting van +7/+3. Dit is heel ver oostelijk voor het stabiele stuk Kedichem. Hiernaast is de ligging topografisch hoog te noemen.

Boring 39F-224 (Ede) kent een stabiele top van Harderwijk afzettingen welke ligt boven HO.kv grind. De waterkwaliteit in de Gilzemember is veel zachter (ze bevat veel minder kalk) dan die in de Tegelen of Maassluis afzettingen, hetgeen leidt tot minder bufferende werking met alle nadelige gevolgen van dien voor het opgepompte water. In de Alphenzanden (Vandenberghe13) komt in het grind een Schelde associatie voor, hoewel met wat meer instabiele elementen (tot 20%) waarmee ze vergelijkbaar is met de afzettingen nabij Ulvenhout. Zeer fijne vuursteen splinters zouden hier zorgen voor de opvallend grijze kleur van deze afzettingen.

 

Tijdsindeling

Op basis van de O16/O18 curve van Lisiecki14 en de indeling van Kuhlman15 is een overzicht gemaakt van de diverse members in combinatie met een tijdsindeling.

 

Profielen

Locaties

In West-Brabant is een gedetailleerd overzicht gemaakt van de tot de Tegelen-afzettingen te rekenen zanden en kleien. In 12 profielen (figuur hieronder) is de ligging van met name de T3 opgenomen.

 

 

Uit het totaal van de profielen komt een beeld naar voren waarbij de Tegelen afzettingen ten opzichte van elkaar verschoven kunnen zijn door breuken. Deze breuken zijn gereactiveerde oudere breuken die de noordrand van het Massief van Brabant vertegenwoordigen. De reactivatie lijkt samen te vallen met de afzetting van de Sterksel afzettingen. Deze breuken zijn daarnaast actief geweest tijdens de afzetting van de Breda-afzettingen en de Veldhoven-afzettingen. Dit op basis van het plotseling verdikken of verschijnen van deze afzettingen aan de noordzijde van deze breuken.

Tijdens de afzetting van de Maassluis- en de Tegelen-afzettingen is er geen verdikking (= geen verschillende activiteit ter weerszijden van de breuken) te constateren. Naast verdikkende breuken zijn er nog een aantal horizontaal verschuivende (transversale) breuken te onderkennen. Deze (reactivatie van oudere) transversale breuken zijn van na de afzetting van de Tegelen-afzetting. Dit op basis van het abrupt veranderen van de lithologie ter weerszijden van deze breuk zonder dat er echt sprake is van hoogteverschillen.

In de volgende paragrafen worden de verschillende profielen beschreven. Opgemerkt wordt dat de x-as niet exact op schaal is. De boorbeschrijvingen en sondeergegevens zijn met behulp van Python omgezet in lithologische kolommen. De kolommen afkomstig uit sonderingen kennen veel meer detail (maar zijn vaak minder diep) dan de kolommen op basis van boringen

 

Profiel AA’ Wat in dit profiel met name opvalt is de dikke T3-kleilaag halverwege het profiel. Daarnaast zijn de zanden onder de T2 opvallend grof ontwikkeld. De T2 komt lokaal duidelijk voor. In het noorden van he profiel (S49E00310) ontbreekt de T3-klei. Hier is een duidelijke connectie tussen de watervoerende pakketten (freatisch en de zanden in de T3).

 

Profiel BB’ Profiel BB’ is een west-oost profiel waar de T3-klei op circa -10 [m NAP] ligt. De zanden van de T3 zijn grof ontwikkeld. Deze zanden komen bij Kasse overeen met de fluviatiele Halsterenbeds. De grens tussen de Holocene afzettingen (H) en de T3/T4 afzettingen is moeilijk te maken zonder visuele controle.

 

Profiel CC’ Dit profiel ligt 4 kilometer ten oosten van AA’. De grove zanden onder de T2 zijn verdwenen en de algehele indruk is een snelle afwisseling van dunne kleilagen in combinatie met dunne fijnzandige lagen. Dit lijkt qua afzetting op een estuarien milieu. Ook in dit profiel lijkt er een “gat” in de T3-klei te zitten ter hoogte van S49E00316. De T3 en de T2 kleien lijken veel minder uitgesproken dan in AA’.

 

Profiel DD’ Profiel DD’ ligt 3-4 km ten oosten van profiel CC’. De estuariene opbouw van CC’ aan de zuidzijde van het profiel is hier weer minder zichtbaar. Ter hoogte van B49F0139 lijkt er in de top van de T3 een forse sprong aanwezig te zijn. Ten noorden van deze breuk komt er een duidelijke vergroving voor boven de T3. Dit is de onderzijde van de T4. De T3 zelf lijkt erg dik ontwikkeld te zijn aan de noordzijde van het profiel.

 

Profiel EE’ Profiel EE’ ligt gemiddeld 6 km ten oosten van DD’. De dikte van de T3/T2 klei aan de zuidzijde is erg opvallend. De T3 is op een aantal plaatsen duidelijk versprongen waarbij ten noorden van B50A0234 de T4 een duidelijke grove laag voorkomt.

 

Profiel FF’ Dit west-oost profiel laat in Breda-west het ontbreken van de T3-kleien zien. Bij Dorst komen de S-afzettingen in beeld bij de overgang naar de Centrale Slenk. Met name in de omgeving van Dorst lijkt de T4 goed ontwikkeld te zijn. Dit is de type-locatie van de Gilze-member van Kasse.

 

Profiel GG’ Dit profiel ligt langs de erg goed gedocumenteerde HSL-spoorlijn. Hiervan zijn circa 700 sonderingen, waarvan veel met waterspanningsmetingen, opgenomen in de DINOLoket -database van TNO. Op basis hiervan kan een gedetailleerd ondergrondprofiel worden gemaakt. Ook op basis van het grondonderzoek uit 2000 werd al geconstateerd dat kleilagen discontinue aanwezig waren in de ondergrond. Op onderstaande figuur is een toenmalige geotechnische interpretatie (verkleind) opgenomen van Knooppunt Galder over een lengte van circa 2 km. De geïnterpreteerde kleivoorkomens zijn grijs geaccentueerd. De diepte van het profiel bedraagt circa 30 meter.

 

Op basis van de sonderingen kan het volgende profiel worden opgesteld. Hierin valt op dat aan de zuidzijde de kleiige T3 erg dik ontwikkeld is, maar dat net ten zuiden van Galder de lithologie abrupt overgaat in grof zandige afzettingen. De T2 is ten zuiden van Galder redelijk ontwikkeld als een estuariene afzetting met lokaal OCR kenmerken. Ten noorden van Galder zijn zowel de T4 als de zanden van de T3 grof ontwikkeld.Kleien van de T2 worden in deze zone nauwelijks aangetroffen. Tussen Galder en Princeville ontbreken de T3 kleien vrijwel volledig, ten noorden hiervan ligt een uitgestrekte T3 tussen -13/-20 [m NAP]. Hier vertonen de T3-kleien, op basis van de U2 metingen, OCR kenmerken.

 

Profiel HH’ Dit west-oost profiel ligt op de overgang naar de Centrale Slenk in het oosten. De T3-kleien zakken snel tot > 40 [m-NAP]. De T3-kleien zelf zijn sterk kleiig ontwikkeld.

 

Profiel JJ’ Dit profiel ligt circa 6 km ten oosten van profiel GG’. Wat in dit profiel het meest opvalt is het vrijwel ontbreken van de T3-kleien vlak bij de A58. Deze locatie ligt in het verlengde van de locatie Galder/Princeville in profiel GG’ en representeert mogelijk de rivierloop van de Tegelen-T3-Rijn (de TC5 van Kasse). De oude loop van de Rijn zelf heeft dan weinig klei, de uiterwaarden daarnaast veel klei (en veen).

In bovenstaande figuur is het vrijwel ontbreken van de T3 kleien met een rode balk aangegeven, de afgeleide ligging van de Rijn met een geel vlak.  

 

Profiel KK’ Dit profiel ligt circa 5 km ten oosten van profiel JJ’ Wat hier met name opvalt is het vrijwel ontbreken van de T3-kleien rond Alphen. Nabij Hulten is de S4 (Sterksel afzettingen), ten noordoosten van de Gilze-Rijen breuk, aanwezig. Ten oosten van deze breuk verdikt de Sterksel zich aanmerkelijk tot tientallen meter in de Centrale Slenk.

 

Profiel LL’ Dit west-oost profiel bevindt zich voor het grootste deel aan de zuidelijke zijde van de oude Rijn-loop. De T3-kleien zijn over het algemeen goed ontwikkeld. Aan de oostzijde van het profiel is de verdikking van de Sterksel afzettingen duidelijk te zien.

 

Profiel ML

Dit profiel ligt aan de rand van de zuiver fluviatiele Tegelen afzettingen. Met name in het middendeel is de T2 en de T1 duidelijk kleiig ontwikkeld, indicatief voor een meer fluviatiele facies. Ten noorden van Esbeek duiken de T3 afzettingen de Centrale Slenk in. Het ontbreken van kleiige T3 afzettingen ten zuiden van Reusel heeft mogelijk verband met de oude Rijn (paragraaf 5.1.8).

Overige literatuur

Referenties


  1. Dubois, E 1905 Over een equivalent van het Cromer-forest-bed in Nederland. Versl. wis. en natuurkund. Afd. Kon. Akad. Wetensch., 13: 243-251; Amsterdam↩︎

  2. Reid, Cl. & E.M. Reid 1915 The Pliocene Floras of the Dutch-Prussian border. Meded. Rijksopsp.V. Delfst. 6: 1-178.↩︎

  3. Zonneveld, J.I.S. 1947 Het kwartair van het Peelgebied en de naaste omgeving. Een sedimentpetrologische studie. Mededelingen Geologische Stichting, Serie C-VI-3: 1-223↩︎

  4. Zonneveld, J.I.S. 1958 Litho-stratigrafische eenheden in het Nederlandse Pleistoceen. Mededelingen van de Geologische Stichting, Nieuwe Serie 12: 31-64.↩︎

  5. Zagwijn, W.H. 1957 Vegetation, climate and time-correlations in the early Pleistocene of Europe Geologie en Mijnbouw, Nieuwe Serie 19: 233-244↩︎

  6. Zonneveld, J.I.S. 1958 Litho-stratigrafische eenheden in het Nederlandse Pleistoceen. Mededelingen van de Geologische Stichting, Nieuwe Serie 12: 31-64.↩︎

  7. Zagwijn, W.H. 1960 Aspects of the Pliocene and Early-Pleistocene vegetation in the Netherlands. Thesis, Leiden / Mededelingen Geologische Stichting Serie C-III-1-N.6: 1-18↩︎

  8. Zagwijn W.H. 1963a Pollen-analytical investigations in the Tiglian of the Netherlands Mededelingen Geologische Stichting nieuwe stijl, nr. 16, p.49-69↩︎

  9. Kasse 1988 Early-Pleistocene tidal and fluviatile environments in the Southern-Netherlands and Northern- Belgium Thesis, Free University, Amsterdam↩︎

  10. Westerhoff, W. 2009 Stratigraphy and sedimentary evolution: The lower Rhine-Meuse system during the Late Pliocene and Early Pleistocene (southern North Sea Basin) Proefschrift, VU, Amsterdam↩︎

  11. Edelman D.H. 1987 Veldwerkverslag Ulvenhout 1987 Intern rapport, VU, Amsterdam↩︎

  12. Nota D.J.G. 1956 Sedimentpetrologische untersuchungen altpleistozäne ablagerungen im gebiet von Tegelen, Niederlande Geologie en Mijnbouw december 1956 pp 402-410↩︎

  13. Vandenberghe J., Krook L.,van der Valk L. 1986 On the Provenance of the early-Pleistocene fluvial system in the Southern Netherlands Geologie en Mijnbouw 65: 3-12 NJG-Geologie en Mijnbouw 85(1) pp. 29-45↩︎

  14. Lisiecki, L. E., and M. E. Raymo 2005 A Plio-Pleistocene stack of 57 globally distributed benthic d18O records Paleoceanography, doi:10.1029/2004PA001071.↩︎

  15. Kuhlman, G. 2006 Integrated chronostratigraphy of the Pliocene-Pleistocene interval and its relation to the regional stratigraphical stages in the southern North-Sea region↩︎