Dit is een (fijn) zandige afzetting afkomstig van de oostelijke rivieren en gelegen onder de Harderwijkafzettingen. Ze is moeilijk te onderscheiden van de Harderwijkafzettingen, beide zijn Oostrivier afzettingen met een extreem hoog gehalte aan restkwarts. (90-95%).
In de nieuwe lithologie (Bosch, 20031) wordt ze met de Harderwijk afzettingen samengevoegd tot de Peize formatie. De afzettingen zijn weinig aangetboord. De Scheemda afzettingen worden niettemin in eerdere RGD indeling onderverdeeld in drie verschillende lithologische groepen (NB: dit is een faciesverschil,geen chronologische indeling), te weten:
Een bovenste deel van de Scheemda afzettingen wordt bij Zuidlaren, boring 12E-84, (kaartblad 12) ingedeeld bij de Mineraalzone van Noordlaren (MvNo). De dikte van de MvNo is maximaal 40 meter. De MvNo kenmerkt zich door hoornblende, granaat en epidoot. Hiernaast komt nog een redelijk percentage (20-30%) stabiele mineralen voor. In boring 12E-84 is op 106 [m-NAP] een enkel voorkomen van augiet.
Het onderste deel behoort bij de Mineraalzone van Scheemda (MvSc). Dit is een meer stabiele associatie met veel toermalijn en metamorfe mineralen. De overgang met de onderliggende MvNi (Nieuweschans) is gedocumenteerd door de relatieve afname van hoornblende.
Het zich op Sylt bevindende Kaolienzand (misschien verwant aan de Scheemda afzettingen ?) kent zeer hoge waarden voor restkwarts. Hiernaast komen er in dit Kaolienzand tot 15 cm grote stenen voor, die mogelijk zijn aangevoerd in een ijstijd (Maarleveld, 19563). Dit zou dan het Pretiglien moeten zijn.
Op basis van o.a. Maarleveld (Maarleveld, 1956) kunnen de Oostrivier afzettingen in een negental grindklassen worden ingedeeld. Hiervan komen Ens I,II en III alleen voor in Niedersachsen.
De onderste sequentie is de Sc1. De ondergrens is gedefinieerd waar de mariene (coarse-up) afzettingen overgaan in continentale (fine-up) afzettingen met mogelijk lokaal veen. Deze grens is waarschijnlijk geen tijdlijn. De Sc1 heeft het uiterlijk van een uitbouwende sequentie . De uitbouw gaat ten koste van een mariene kleiige/fijnzandige sequentie. Deze laatste is soms te klasseren als een deel van de Nieuweschans afzettingen, soms als een marien deel van de Scheemda afzettingen (kwestie van definitie). Deze sequentie gaat lateraal (naar het noorden en westen toe) over in de Nieuweschans afzettingen. Lokaal is de afzetting grofkorrelig en/of grindhoudend. De leeftijd van de diepste ligging van de ondergrens ten opzichte van de H1 (MvZu) is ongeveer 62 meter. Een berekende leeftijd is dan maximaal 2,5 Ma. Dit strookt met het voorkomen van Bruinkool en Fagus in het pollenbeeld.
De bovenste sequentie is de Sc2. Dit is een 10-25 meter dikke fine-up zonder al te veel opvallende eigenschappen. Meer naar het westen komen kleiige trajecten voor, meer naar het oosten is ze grover van aard. De leeftijd ligt boven de 2,08 Ma. Op dat tijdstip is de overgang naar de Harderwijk afzettingen (aanvang H1) te dateren. Ze zou dan het continentale equivalent kunnen zijn van Maassluis afzettingen.
De formatie is in de literatuur (o.a. de Kaartbladen) summier beschreven.In de Achterhoek (Kaartblad 28o-29) wordt ze onderverdeeld in twee delen: + de Afzettingen van Lievelde, (de onderste zanden) die tot 27 meter dik zijn en behoren tot de MvNs. In Groeve Westerhaar ligt er mogelijk op de grens van de afzettingen van Lievelde en de afzettingen van Weerselo een laag met witte verkiezelde schelpen (Glycymeris glycymeris variabilis, die voor 99% de totale fauna vertegenwoordigt), en een exemplaar van _Mya arenaria _hetgeen de afzettingen van Lievelde zou dateren op de grens van het Plioceen en het Pleistoceen. + de Afzettingen van Weerselo, dit zijn grove zanden die tot 20 meter dik kunnen zijn. Ze liggen op de Afzettingen van Lievelde. De zanden behoren tot de MvSc. NB: De Scheemda afzettingen zijn in Oost-Groningen topografisch de hoogst gelegen (Pleistocene) afzetting.
De witte zanden van de Scheemda afzettingen in groeve Westerhaar bij Sibculo
In de polleninhoud is Fagus en Tsuga (in hoge waarden, blad 12) aangetroffen. Dit kan wijzen op een Pliocene afzettingstijd. Mollusken en foraminiferen zijn nauwelijks aangetroffen. Soms zijn er karakteristieke schelpgeesten. Dit zijn afdrukresten van schelpen waarbij de kalk volledig is verdwenen maar er toch een bepaalde verharding van het zand heeft plaatsgevonden.
Bij blootstelling aan weer en wind (bijv. in ontsluitingen) komen deze schelpen, soms nog determineerbaar,weer tevoorschijn. Lokaal zijn in de microresten dinoflagellaten en Chenopodiacea gevonden die duiden op een kustnabije facies.
Onder de afzettingen van Weerselo (=onder de MvSc?) zijn mariene schelpen gevonden. Deze behoorden zelf tot de MOL C (Spaink, 19754). Dit zou wijzen op een koude zee. Dit is cf. de NITG jonger dan ze verwacht hadden op basis van de veronderstelde Miocene/Pliocene ouderdom. Pollen uit deze regio geven voor het jongste deel van de Scheemda afzettingen een Tiglien-ouderdom. De Scheemda afzettingen liggen op afzettingen met een FB-foraminifeerassociatie (KB 12). Nabij Schoonlo is een zeer vroeg- Pleistoceen of laat-Plioceen pollenbeeld gevonden.
Bosch, J.H.A. 2003 Beschrijving Formatie van Peize Lithologische Nomenclator Ondiepe Ondergrond. TNO-NITG↩︎
Eggink, R.G. 1994 Pliocene mollusken van Westerhaar, Sibculo en Kloosterhaar, Grondboor en Hamer, nr.2↩︎
Maarleveld, G.C. 1956 Grindhoudende midden-Pleistocene sedimenten. Het onderzoek van deze afzettingen in Nederland en aangrenzende gebieden (Diss. Utrecht) Meded. Geol. Stichting, serie C-VI-No. 6:105 pp↩︎
Spaink, G. 1975. Zonering van het mariene Onder-Pleistoceen en Plioceen op grond van mollukenfauna’s. In: Zagwijn, W.H., Van Staalduinen, C.J. (eds.): Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem, 118-122.↩︎