De vaak diep gelegen afzettingen van Breda zijn in de Nederlandse literatuur over het algemeen summier beschreven (Zagwijn, 19751). Dit is mede het gevolg van deze diepe ligging waardoor ze niet al te vaak in boringen wordt aangetroffen. De afzettingen bestaan in Nederland over het algemeen uit glauconietrijke, fijnkorrelige zanden, silten en kleien. Meer naar het noordwesten worden de afzettingen over het algemeen wat kleiiger, meer naar het zuidoosten worden ze wat grofkorreliger.
In de Nederrijnbocht werden dikke pakketten veen afgezet die later in bruinkolen zijn veranderd. Zie voor deze bruinkolen de beschrijving over de afzettingen in de Nederrijnbocht, elders op deze website.
In de Nederlandse situatie is de Formatie van Breda van origine gedefinieerd (Zagwijn, 1975) aan de hand van twee boringen 49E-65, Wouw en 50A-154, Rijsbergen. In deze twee boringen is een deel van de afzettingen wat tot de Formatie van Breda is gerekend mogelijk te interpreteren als (jongere) Rijsbergen afzettingen afzettingen. Bij TNO Bouw- en Ondergrond is het feit dat de Formatie van Breda in 1975 mogelijk niet volledig is gedefinieerd, aanleiding geweest om een nieuw stratotype te zoeken. In boring 58F-64, gelegen op de oostrand van de Venloslenk, net ten oosten van Venlo, is een 14-tal, op dinocysten gebaseerde (Munsterman, 20042), members onderscheidden. Deze indeling is gebruikt voor het opstellen van een nieuwe definiëring van de Formatie van Breda.
De in deze notitie gebruikte definitie van de Breda-afzettingen heeft een chronologisch uitgangspunt, te weten, de Breda afzettingen zijn alle sedimenten tussen de afzettingen uit het Rupelien/Chattien (ondergrens zijn de afzettingen uit het Chattien) en de MMU (mid Miocene unconformity). De bovenzijde van het Chattien is de NTO, de near top Oligoceen. Het is duidelijk dat de Breda afzettingen sterk door tektoniek zijn beïnvloed. Lokaal zijn ze beperkt tot een dunne laag, lokaal zijn ze meer dan 400 meter dik.
De afzettingen bestaan over het algemeen uit kleien en zeer kleiige glauconietzanden. Naar onder toe kan het glauconietgehalte afnemen. Het in de sedimenten aanwezige zand heeft over het algemeen een diameter van 150 µm of kleiner. De afzetting is vaak opvallend homogeen hetgeen kan wijzen op rustige sedimentatie omstandigheden. Bij Tilburg zijn er lokaal kleine grindjes, concreties of schelpjes in deze afzettingen gevonden.
De Breda afzettingen zijn in het zuidwesten van Nederland zeer dun ontwikkeld. Het betreft mogelijk alleen afzettingen die in België bekend staan als de Zanden van Antwerpen. De boven en de ondergrens zijn in de beschikbare boringen waarschijnlijk erosief. Ze wordt zelden aangeboord ten gevolge van de grote diepteligging. Ze bevat lokaal pyriet. De maximale dikte van de Boven-Miocene zanden in de Centrale Slenk zou 300-500 meter zijn (KB 51w). Meer naar het zuidoosten worden de afzettingen continentaler, overgaand in dikke bruinkoolafzettingen en zanden in de Nederrijnbocht.
In de afzettingen zijn in Nederland equivalenten gevonden van de o.a. de bruinkoollagen Morken en Frimmersdorf, in Nederland van elkaar gescheiden door klei- of zandlagen. Hierboven liggen wat grovere zanden met een hoekig type grind. In het zuidwesten van Nederland liggen dunne afzettingen die mogelijk tot de Breda afzettingen gerekend mogen worden. Bij Gilzerbaan en op andere lokaties in West-Brabant is het glauconietgehalte van de tot de Breda afzettingen te rekenen sedimenten laag te noemen. Mogelijk is hier sprake van erosieresten of afzettingen van Veldhoven. Een andere mogelijkheid is het voorkomen van een noordelijk deel van de Formatie van Diest.
In 1998 is het NITG-TNO een nieuw onderzoek gestart om het officiele stratotype te definieren. Hierbij is de oorspronkelijke standaardboring 50A-154 (nabij Rijsbergen) erkend als incompleet. Als nieuwe officiele standaard is nu de 58F-64, nabij Tegelen, aangewezen. Het onderzoek richt zich op het traject 56-588 [m-NAP] met als gemeenschappelijke kenmerk glauconietrijkdom. Hier moet worden opgemerkt dat, misschien, glauconietrijkdom kan wijzen op afzettingen uit zowel de Rijsbergen, Breda en mogelijk de Veldhoven afzettingen. In de Nederrijnbocht zijn de continentale pendanten van Breda vaak onderwerp van onderzoek geweest, met name de dikke bruinkoolvoorkomens.
In de Breda afzettingen wordt de aanwezigheid van minimaal 7 (3º en 4º-orde) sequenties vermoed. Gezien het zeer beperkte aantal goede gedetailleerde boringen doorheen de Breda afzettingen kan (en zal) het aantal herkenbare SB’s groter kunnen zijn.
Op basis van de boring 56F-64 kunnen de volgende sequenties worden onderscheiden:
In Friesland (KB 10o) zijn alleen dunne stukken Midden-Mioceen gevonden, hier zijn dat 25-40 meter dikke grijsbruine fijnzandige kleien met pyriet, muskoviet (glimmers) en glauconiet. Iets oostelijker (KB 11) ontbreekt het Vroeg-Mioceen. De afzettingen van het Midden-Mioceen bevatten hier FD-foraminiferen (olieboring Gorredijk-1). De afzettingen zijn hier opgebouwd uit bruinzwarte tot groengrijze, glauconietrijke tot glauconiethoudende zandige klei.
In Groningen (KB 12) begint de Formatie met een paar meter dikke laag glauconiethoudend fijn zand met daarop een meer dan 100 meter dikke laag homogene lemen en zware, groengrijze kalkloze zware kleien. De kalkloosheid kan wijzen op ontkalking door (langdurig) droogvallen. De westwaarts gerichte diktetoename van Groningen naar Friesland zet zich tevens oostwaarts voort in Noord-Duitsland en Denemarken. Hier worden dikten van de Breda afzettingen gemeten tot 325 meter. In de Nederrijnslenk bereikt ze dikten tot 550 meter.
In Drenthe (KB 16, KB 17) is ze niet beschreven, hoewel er wel hoornblenderijke afzettingen in de diepere boringen voorkomen (MvRu, mogelijk de Rijsbergen afzetingen). Het voorkomen van de Breda-afzettingen in dit deel van Nederland is mogelijk niet zo uitgebreid als eerder door de RGD verondersteld (Zagwijn, 1975).
In Twente (KB 28o/29) zijn de Breda afzettingen circa 25-50 meter dik.
Op de Veluwe (KB 39) is de eigenlijk Formatie van Breda maar zeer dun, mogelijk is in olieboring Zaltbommel-2 een ±50 meter dikke Breda gevonden aangetroffen. In de Achterhoek (KB 40o) is een fijnzandige afzetting, hier vallend onder de Breda Formatie, niet nader beschreven.
De Breda afzettingen zijn ten oosten van de Peelrand, op de Peelhorst, over het algemeen dun.
Op Walcheren (48W) zijn de Zanden van Antwerpen gevonden. Ze bestaan uit middelfijne, slibhoudende (tot lemige), groene glauconietzanden. De onderste 10 meter kan fossielloos zijn met aan de onderzijde een fosforietlaag (2-3 cm groot), deze is in de tweede Wereldoorlog onderwerp van onderzoek geweest in verband met het Uraniumgehalte (kaartblad XXX).
Op blad Beveland komen de zanden van Antwerpen voor als bruin-groene, glauconietrijke kwartszanden met sporadische schelpresten en glimmers. De dunne afzettingen corresponderen met de hoogste zeestanden in het Serravalien (cf. Vail5) en in het Plioceen.
In boring 43H-63 (de Klundert) zijn de zanden van Antwerpen 30 m dik. Boring 50E-WP1 kent maar ±10 meter Breda-afzettingen.
Op de Peelhorst (Ernst en de Ridder, 19606) is de top van de Miocene afzettingen soms verkit tot zandsteenlagen. Misschien is hier sprake van een connectie met de verkitte lagen in de Formatie van Diest, de zogenaamde Leuvencap.
In boring 56F-7 ligt er onderin de Zanden van Antwerpen (hier gesteld op een grovere korrel op 225 [m-NAP]) een kleine gamma-piek (in de gammaogs). Deze gamma-piek is misschien dezelfde als beschreven in de Nederrijnbocht (Janssen, 1987) en de Broad-Fourteen basin (Wong, 20017). De gamma-piek kan iets uitstaande hebben met het voorkomen van Uranium in op die niveau´s aangetroffen fosforieten.
West-Brabant (KB 43o) heeft alleen een dun Midden-Mioceen. In West-Brabant ontbreekt het Onder-Mioceen, de sequentie begint met de Midden-Miocene Zanden van Antwerpen,
Te Boxmeer komen in de kleien plantenresten voor (relatie met continentale afzettingen?).
In boring Huibeven-01, een boring ten behoeve van olie-exploratie, is duidelijke verdikking van de Breda afzettingen te constateren. Daar de MMU-SB (?) werd aangetroffen op 315 [m-NAP] en de top van de Rupel afzettingen op 505 [m-NAP] kon worden bepaald dat de Breda en de Veldhoven afzettingen samen 190 meter dik zijn. De dikte van deze afzettingen nabij Gilzerbaan (6 km naar het zuiden) bedraagt maximaal 37 meter. De verdikking heeft plaatsgevonden bij de Gilzerbaanbreuk en tijdens/na de afzetting van de SB.
In de zware mineralengroep zijn de stabiele mineralen overheersend met veel zirkoon. Zone 8 te Peize bevat een epidootrijke associatie, de hierboven liggende kleien zijn o.h.a. door zirkoon en andere restgroep mineralen gedomineerd (Mineraalzone van Ruinerwold, MvRu). Zone 1 heeft meer hoornblende (tot 30%) en vormt de overgang naar de hierboven gelegen zone. De afzettingen van Aalten vertonen een Granaat-Epidoot associatie. Op blad Beveland bevatten de zanden van Antwerpen een Granaatrijke (30-43%) Epidoot (20%) Hoornblende (26%) associatie.
Dit wordt vrijwel niet aangetroffen. In de afzettingen in de Nederrijnbocht zijn vuursteeneieren in karakteristieke lagen bekend. Deze sterk afgeronde vuurstenen wijzen mogelijk op een brandingszone. Deze lagen zouden dan mogelijk correleerbaar zijn met MFS en/of SB grenzen.
In Duitsland komen in het Grammien (mogelijk equivalent met de Rijsbergen afzettingen) voor het eerst op grote schaal boreale foraminiferen voor. In boring Gorredijk 1 (olieindustrie) is FD (Tortonien) ergens tussen de 300 en de 500 meter diep. Hier is ook FC2 (foram Uvigerina hosiusi deurnensis) en FC1 aangetroffen. De laatste is veel minder glauconietrijk en bevat schelpen. Bij Peize (blad 12) is de foraminifeerinhoud onderzocht waarin FD (Midden-Mioceen), FC1 (Midden/Boven-Mioceen, geen FC2, en FB (Plioceen) zijn aangetroffen.
Op Walcheren (KB 48w) komen in de Zanden van Antwerpen de volgende kenmerkend genoemde soorten voor: Asterigerina gürichi staeschei, Cribononion inflatum, Virgulinella pertusa. Volgens de foraminifeerchronologie op Zuid-Beveland (KB 48o) ligt er onder de Formatie van Antwerpen (FD) een hiaat tot de Bk (FF). Uit foraminifeeranalyse zou blijken dat op de Peelhorst Breda afzettingen te dateren zijn op Midden-Mioceen. Foramifeeranalyse bij Gilze geeft aan dat er Boven-Mioceen (ws. Onder-Plioceen) voorkomt met op ca. 240 meter onder NAP een laag met weinig foraminiferen (Midden-Mioceen, lokaal ook Boven-Oligoceen) en/of typisch Boomse klei soorten. De overgang in de FD van Mol H naar Mol G valt mogelijk samen met de Frimmersdorf bruinkool afzetting. Op Beveland (KB 48o) zijn zee-egel stekeltjes aangetroffen in de FD. Een van de kenmerkende soorten is Uvigerina hosiusi. Er wordt opgemerkt dat het onderste deel van de Breda afzettingen praktisch steriel is. Nabij Eindhoven (KB 51w) ontbreekt onderin de afzettingen de karakteristieke “Vierlandien”-fauna. De fauna komt in de olieboring Veldhoven overeen met de Zanden van Antwerpen voor wat betreft het deel van de Breda afzettingen met de continentale invloeden.
Zagwijn & van Staalduinen, 1975, Toelichting geologische Overzichtskaartenvan Nederland↩︎
Munsterman D.K. , Brinkhuis H. 2004 A southern North Sea dinoflagellate cyst zone Geologie en Mijnbouw 83, pp. 267-285↩︎
Klett M, Eichhorst F & Schäfer A. 2003 Facies interpretation from well logs applied to the Tertiary Lower Rhine Basin fill↩︎
Janssen, A.W. 1987 Proceedings of the Third meeting of RCNNS↩︎
Vail, P.R. Hardenbol, J. 1979 Sea-level changes during the Tertiairy Oceanus, 22: 71-79↩︎
Ernst & de Ridder 1960 High resistance to horizontal Groundwater flow in coarse sediments due to faulting Geologie en Mijnbouw, 39e jaargang pp 66-85↩︎
Wong,T Parker, N Horst,P 2001 Tertiairy sedimentary devolopment of the Broad Fourteens area, the Netherlands Geologie en Mijnbouw, 80/1↩︎
Munsterman, D.K. 2019 An updated and revised framework for the Miocene and earliest Pliocene strata of the Roer Valley Graben and adjacent blocks. NJG 2019↩︎